Het fluitsignaal


Het fluitsignaal wordt onder de ontluchtingsleiding verticaal op de tank geplaatst. Bij het vullen van de tank wordt de lucht in de tank samengedrukt, passeert door het fluitje om daarna te ontsnappen via de ontluchtingsleiding. Zolang de druk minder dan +/- 0,15 bar bedraagt, gaat de lucht enkel door het fluitje (fig nr. 1).

Zodra de luchtdruk in de tank +/- 0,15 bar overschrijdt, gaat het fluitje van het fluitsignaal omhoog en de lucht passeert dan deels via het fluitje en deels via de vrijgekomen weg (fig nr. 2).

Op het ogenblik dat de gasolie het laagste peil van het fluitje bereikt, kan de lucht niet meer langs het fluitsignaal ontsnappen: het fluiten houdt op, het teveel aan lucht is ontsnapt en de chauffeur stopt met vullen (fig nr. 3). De lengte van het fluitje bepaalt het maximum vulpeil en verschilt naargelang het type en de vorm van de tank. Ze wordt zodanig aangepast dat de vulling wordt stopgezet zodra de tank voor 95% is gevuld.

De werking van dit systeem is gebaseerd op een fluittoon die aangeeft dat de levering verloopt zoals het moet. Het is dus een eerste vereiste dat de ontluchtingsleiding zich zo dicht mogelijk bij de vulplaats bevindt, zodat de chauffeur de fluittoon duidelijk hoort (fig nr. 4). Indien de fluittoon niet kan worden gehoord, dient men gebruik te maken van een apparaat dat op afstand werkt, namelijk de electronische sonde.

Opmerking :
Het is belangrijk dat de diameter van de ontluchtingsleiding vanaf de tank tot het uiteinde 5/4" bedraagt. Indien een fluitsignaal wordt geplaatst, moet dit een zo groot mogelijke doorsnede hebben.

  1. Ontluchtsleiding
  2. Begrenssteun
  3. Klep van het fluitje
  4. Aansluiting op tank
  5. Fluitje
  6. Mazout